Democratie betekent dat de leiding van een gemeenschap in handen van haar leden, ‘het volk’, ligt. Maar geen enkel volk is een homogene verzameling van eensgezinde individuen. Verschil, onenigheid en conflict worden door veel denkers dan ook als essentiële kenmerken van democratie beschouwd. Zo ook door de Belgische filosofe Chantal Mouffe, die betoogt dat democratie een constante strijd over de macht impliceert. Maar wat maakt dat deze strijd vreedzaam verloopt, en niet resulteert in geweld of onderdrukking? De Amerikaanse filosoof William Connolly laat ons zien dat institutionele ingrediënten als een parlement, een kiesstelsel en een grondwet die onze vrijheden niet afdoende zijn in het voorkomen van een escalaties van conflict. Uiteindelijk komt het er op aan hoe, dat wil zeggen, met welke houding we binnen dit democratisch bestel handelen.

Politiek handelen

Wat Mouffe ons wil laten zien is dat politiek handelen in een democratie uit meer bestaat dan het vierjaarlijks uitbrengen van een stem. Het regeren van een land bestaat uit het nemen van beslissingen ten behoeve van ‘het algemeen belang’. Iedere regering begrijpt dit algemeen belang echter op een andere manier. De strijd om de macht bestaat volgens Mouffe daarom uit het verdedigen van een bepaalde interpretatie van het algemeen belang. Dit doen we door betekenis te geven aan de twee centrale democratische waarden van vrijheid en gelijkheid en vervolgens ‘strijden’ aanhangers van die specifieke interpretatie voor de hegemonie – de overheersing. Bijvoorbeeld door anderen te overtuigen dat een vrije woningmarkt voor iedereen rechtvaardiger is, of door ons hard te maken voor een betere arbeidspositie van de immigrant, of door mensen te doen inzien dat iedereen recht heeft op een schoon milieu.
Politiek handelen volgens Mouffe betekent dus het meedoen in deze strijd om hegemonie en algemene acceptatie.
Het onderscheid tussen burgers en politici is daarbij vloeibaar: in een democratische ‘strijd’ kun je weliswaar leiders en volgers onderscheiden, maar beiden identificeren zich met een politieke identiteit die een bepaalde opvatting van het algemeen belang voorstaat, zoals ‘liberaal’, ‘groen’ of ‘sociaaldemocraat’. Wanneer je je niet weet te identificeren met bestaande politieke identiteiten, komt het erop aan er zelf een te vormen en zo de macht te veroveren.
Mouffe probeert te laten zien dat absolute consensus mogelijk noch wenselijk is. Er zijn te veel verschillende opvattingen en identiteiten om allemaal gelijke zeggenschap te kunnen laten hebben. Uitsluiting is in een democratische strijd onvermijdelijk: een land kan immers niet geleid worden op basis van 1001 interpretaties van het algemeen belang. Maar deze uitsluiting is altijd tijdelijk en bediscussieerbaar.

Gelijkwaardige tegenstanders

Een democratische strijd bestaat dus bij gratie van de politieke tegenstander. Om deze strijd niet te laten escaleren en vreedzaam te laten verlopen, is het volgens Mouffe cruciaal dat tegenstanders elkaar erkennen als politieke tegenstander, die precies hetzelfde recht hebben om hun opvattingen te verdedigen. Hierbij neemt Mouffe aan dat we de erkenning van de ander als gelijke allemaal even gemakkelijk opbrengen. Maar hoe kan ik de ander als gelijkwaardig beschouwen als ik mijn eigen opvattingen superieur vind, dat wil zeggen, de moeite van een strijd om hegemonie waard acht?
De Amerikaanse denker William Connolly betoogt dat dit alleen mogelijk is wanneer we een specifieke deugd ontwikkelen, die hij ‘agonistisch respect’ noemt. Deze deugd vergt echter heel wat inspanning. Volgens hem zijn mensen namelijk instinctief geneigd om alles wat anders of afwijkend is als bedreigend voor hun eigen identiteit te ervaren. In reactie op het pluralisme van moderne samenlevingen, ziet Connolly een hardnekkig streven naar eenheid, normaliteit en homogeniteit. Zwaarlijvige mensen en rokers moeten worden aangepakt, de immigrant moet zich aanpassen en integreren, en ‘de’ joods-christelijke cultuur moet worden beschermd.

Relativisme als democratische deugd?
Wijzend op de veelzijdigheid van de wereld en de ontelbare verschillen tussen mensen, stelt Connolly dat dit verlangen naar eenheid onvervulbaar is. Het komt er volgens hem op aan ons te verzoenen met dit chronische gebrek aan eenheid, door de veelheid aan identiteiten en tegenstellingen te accepteren die ons maken tot wie we zijn. Dit vergt volgens Connolly een radicale erkenning van de relativiteit en toevalligheid van onze eigen identiteit en opvattingen. We moeten ons realiseren dat wie we zijn, evengoed anders had kunnen zijn, dat ons evengoed een andere mening kon zijn toegedaan. Hij gelooft dat we pas dan de betwistbaarheid van onze eigen opvattingen kunnen onderschrijven die nodig is om de ander als gelijke tegenstander te zien.
Maar als agonistisch respect een verzoening vereist met het idee dat alles resultaat is van toeval, worden zij die wel geloven dat er achter alles een reden of bedoeling schuilgaat dan niet buitengesloten? Hoe democratisch is een politieke strijd eigenlijk, als deelname alleen mogelijk is voor de ‘postmoderne mens’ die gelooft in de willekeur van zijn eigen bestaan?
Hoewel Connolly inderdaad de contingentie van identiteit en omstandigheden benadrukt, betekent dit volgens mij niet noodzakelijk dat iedereen dit moet onderschrijven om deel te nemen aan democratische politiek. Het werkelijke belang van de deugd van agonistisch respect bestaat niet uit een acceptatie van toeval en willekeur, maar uit het onderdrukken van de drang om onze eigen opvattingen als universeel geldend te zien en ze op te leggen aan de ander. Wat Connolly laat zien is dat een democratische strijd om de macht, altijd ook een innerlijk verzet tegen een fundamentalisme van het eigen gelijk vereist.  Dit kan door verschillen niet als bedreiging te zien, maar ze eerder te omarmen als onvermijdelijk voor en als verrijking van een democratische samenleving.

Beatrijs Haverkamp studeerde filosofie aan de Universiteit van Utrecht en Amsterdam. In het kader daarvan liep zij stage bij de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid en de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur.

Wat houdt de moslims bezig?

Meningen over wat de gewone moslim bezighoudt lopen uiteen en men is het niet eens over de aard van het probleem. Toch blijft het een relevante vraag voor de samenleving; want Islam staat nog steeds in het middelpunt van de discussie rondom het multicultureel debat.

Maar wat zijn de problemen die de Nederlandse moslims dan zo bezig houden? De zogenoemde “halal-woningen”, ‘het invoeren van de sharia’, uithuwelijking, polarisatie of integratie? Als u ja knikt bij een van deze onderwerpen moet ik u helaas teleurstellen: geen van deze problemen neemt een prominente plaats in het leven van de “modale moslim”.

Het gaat eerder om zaken zoals het halal slachten en producten, Islamofobie en discriminatie (vooral op de arbeidsmarkt), partnerkeuze en je kinderen een verantwoorde Islamitische opvoeding meegeven in een seculiere samenleving. Misschien zeggen deze problemen voor velen zo weinig. Ik neem de lezer niet kwalijk, want deze zaken hebben amper nieuwswaarde in de media. Op dit moment is er bijvoorbeeld alarm geslagen onder moslims omdat halal slachten van kippen in het geding komt door nieuwe Europese richtlijnen. Het CMO (Contactorgaan Moslims en Overheid) is in gesprek met de overheid over een mogelijke oplossing. Maar tot die tijd zullen moslims onzeker zijn over of de kip die zij aanschaffen halal wordt geslacht of niet. Of neem het probleem van partnerkeuze. Steeds meer moslima’s  komen moeilijk aan een huwelijkspartner. De eisen liggen hoger bij de nieuwe generatie; de moslimvrouwen zijn tegenwoordig hoogopgeleid en zoeken naar een huwelijkspartner die de Islam praktiseert en hoogopgeleid is. Op het internet zijn er genoeg Islamitische huwelijkssites.

Discussies in de media en politiek worden gedomineerd door een groep moslims uit het maatschappelijk middenveld, politiek of sleutelfiguren uit de Islamitische gemeenschap. Maar die geven ook weer een vertekend beeld van de problemen onder moslims. In het verleden werd ik uitgenodigd bij een expertmeeting over uithuwelijk onder moslimmeisjes. Voordat ik er heen ging heb ik een kleine steekproef gehouden onder moslimvrouwen. Ik vroeg hen of het probleem herkenbaar was voor Nederlandse moslima’s. Antwoord was heel verrassend; “moslima’s van tegenwoordig zijn heel mondig en maken hun eigen partnerkeuze.” Tijdens de expertmeeting was daar niets van te merken. ‘De experts’ schetsten een heel dramatisch beeld en riepen de Nederlandse overheid om dringend wat te doen aan dit schrijnend probleem. Tegen het einde van de avond kwam de aap uit de mouw. De initiatiefnemer was zelf een moslima die in het verleden werd uitgehuwelijkt. Met dit voorbeeld wil ik het probleem van uithuwelijk niet bagatelliseren, maar wil hiermee duidelijk maken dat sommige moslimfiguren meer vanuit hun eigen belevingwereld spreken en “hun” problemen projecteren op de moslimsgemeenschap in Nederland.

Interessanter zou zijn om te horen wat een lokale Islamitische studentenvereniging, een moskeebestuur en vooral mensen uit informele groepen zoals Koran leeskringen (net zoals Bijbel leeskringen) denken over de problemen van moslims. Dus ga niet mensen bellen die in jouw telefoonboekje staan, maar ga eens langs bij een lokale culturele of religieuze vereniging, een Turkse of Marokkaanse voetbalclub. Heb je geen tijd? Vraag het ten minste aan je moslimburen. De moderne democratie en de mondige burger anno 2013 vraagt ook van beleidsmakers om “met de burger te praten” in plaats van “over de burger”.

Als kind hebben we bijna allemaal in onderlinge confrontaties het volgende uitgesproken: “mijn vader is sterker dan jouw vader”. Wat waren we toch trots op onze papa’s. Nu we volwassen zijn is deze retoriek omgeslagen tot: “mijn burgerlijke status is beter dan jouw status”. Het mechanisme achter deze twee citaten is vergelijkbaar, gezien het feit dat ze beide doordrenkt zijn met trots, vertrouwen en het willen verheven van jezelf. Heeft het kind echter alle schuld in deze denkwijze, wanneer het door papa op deze wijze is geïndoctrineerd? De grote, sterke papa zal toch altijd wel gelijk hebben?

Papa was echter vol tegenstrijdigheden. Naast zijn eigen werk, had hij geen tijd en kracht om ook het huishouden te doen. Papa besloot daarom mensen uit te nodigen die het huishouden voor hem wilden doen en in ruil in het huis mochten verblijven. De ‘gasten’ waren nederig, behulpzaam en tevreden met wat ze hadden. Veel keus hadden ze ook niet, want ze waren afhankelijk geworden van dat werk en zagen zichzelf nog steeds al gast. “Jullie hoeven niet zo bescheiden te doen hoor, dit is ook jullie huis geworden” zei papa, niet wetend dat hij hier later spijt van zal krijgen. Zo liep de overeenkomst nog jaren door. Papa verwachtte de zelfde inzet, maar ook de gasten werden een dagje ouder. Ze werkten trager en werden vaker ziek. Maar daarvoor heeft papa ze toch niet aangenomen? De problemen begonnen pas echt, toen de gasten kinderen kregen. Zij waren anders. Van timiditeit was er bij hen geen sprake, omdat ze niet zo nederig en behulpzaam waren als hun ouders. Ze waren mondig en begonnen dingen te eisen. In ons huis nog wel! Papa sprak ze hierop aan, en kreeg een onverwachte reactie van de kinderen terug: “dit is ook ons huis!” Er viel een pijnlijke stilte, en papa besefte eindelijk dat de gasten blijvertjes waren. Sindsdien is er een haat-liefde relatie tussen mijn papa en de aanvankelijke gasten; tegenwoordig mijn stiefbroers en – zussen. De pijnlijke confrontatie met de realiteit heeft echter mijn papa veranderd. Hij zou nooit meer hetzelfde zijn.

Het moge geen verrassing zijn dat de voorgaande parabel betrekking heeft op de relaties tussen de Nederlandse staat (wat dat ook moge zijn) en de ‘gasten’, waar aanvankelijk het idee heerste dat ze, zoals de term al impliceert, slechts tijdelijk in Nederland zouden verblijven. Helemaal in overeenstemming met de culturen van deze migranten, werden ze als gast enigszins gepamperd. Mits ze hard bleven werken en niet klagen natuurlijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Nederland geen actieve integratiebeleid heeft gevoerd ten aanzien van deze migranten. Het idee van de tijdelijke aard van de migratie, heeft zich uiteraard ook genesteld in vele beleidsmaatregelen.

Zo is er geen eenduidig beleid te herkennen ten aanzien van het integratiebeleid. Zo voerde Nederland tot de jaren ’80 een differentialistisch beleid. Met het idee in het achterhoofd dat het migrantenverblijf van tijdelijke aard zou zijn, zijn er vanuit de overheid weinig voorzieningen getroffen voor de ‘nieuwe-Nederlanders’. Beleid was hierbij gericht om de verschillende ‘groepen’ zo veel mogelijk te scheiden van de ‘gastheren’. De migranten kregen dan ook alle vrijheid om hun eigen thuiscultuur te beleven in Nederland, waarbij onderwijs in eigen taal en cultuur ook mogelijk was. Na incidenten als de treinkaping door de Molukkers, en het heersende idee dat de migranten zich toch voorgoed zouden vestigen, was er sprake van herbezinning. Dit was de periode (1980-1994) dat er een minderhedenbeleid tot stand moest komen, en zo kwam het befaamde multiculturalisme idee tot stand. Het idee was om de rechtspositie van de migranten te verstevigen zonder naturalisatiedwang en om sociaal-economische achterstanden weg te werken. Deze aanpak leidde echter in de praktijk vaak tot marginalisering. Vanaf 1994 heerste echter weer een nieuw discours, namelijk het republikanistische model. Hierbij verschoof het accent van groepen naar individuen; etnische minderheden werden allochtonen. Hierbij werd er ook getracht de burgerschap te bevorderen via inburgering en taalonderwijs. Pas vanaf ongeveer 2002 ontstond het idee van assimilationisme (aanpassingsbeleid). Dit is de periode van sterke politisering van immigratie en integratie door onder andere populisten als Verdonk, Hirsi Ali en Wilders. Allochtonen kregen geen speciale voorzieningen meer en er werd enkelvoudige loyaliteit van ze vereist. Dit impliceerde onder andere een afkeer ten aanzien van dubbele nationaliteiten. Door de vele discoursveranderingen, veranderde de term ‘integratie’ ook inhoudelijk. Dit werd pijnlijk duidelijk toen Commissie Blok in 2002 een rapport uitbracht waarin de integratie, ondanks de overheid, vrij succesvol werd beschouwd. Dit heeft tot veel weerstand geleid bij politici als Hirsi Ali. De algemene opvatting was immers dat integratie wel mislukt hoorde te zijn. Hoe kwam het echter dat de politiek een andere conclusie trok dan Commissie Blok (in samenwerking met Verwey-Jonker Instituut)? Dit heeft alles te maken met de veranderde inhoud van de term integratie. De grap is namelijk dat er geen eenduidige definitie bestaat van integratie. Integratie heeft immers een politiek-juridische, sociaal-economische en sociaal-culturele dimensie. Waar in de eerste twee betekenissen, positionering en participatie centraal stonden, gold voor de laatste betekenis (sociaal-culturele) ook acculturatie (het overnemen van elementen van een vreemde cultuur) en identificatie.

Waar Commissie Blok dus een focus legde op de politiek-juridische en sociaal-economische dimensie, kwamen ze tot de conclusie dat integratie wel was geslaagd. Er was immers een grote verbetering in de onderwijsprestaties en arbeidsparticipatie van de migranten. Volgens de heersende actoren in de integratiedebatten was dit echter een immense flater. De debatten focusten zich immers niet meer op rassen, maar op ideologieën. Niet de Turken of de Marokkanen, maar de islam werd als probleem gezien en enorm gepolitiseerd. Uiteraard heeft dit vele sociale en politieke factoren ten grondslag, maar ik wil dit verhaal meer een filosofische wending geven via de ideeën van de socioloog Willem Schinkel.

Hij ziet de maatschappij als een sociaal lichaam met een economische zijde en identiteitszijde. Door factoren als secularisering, individualisering, globalisering en multiculturalisering is het lichaam zijn richting kwijtgeraakt (teleoloosheid genoemd door Schinkel). Er worden wel doelstellingen gecreëerd als economische groei, maar uit wanhoop, omdat het lichaam in een identiteitscrisis zit. Daarom spreekt Schinkel van een hypochondrische maatschappij; een maatschappij die te veel aan zelfanalyse doet en zich allerlei kwalen aanpraat. Via de integratiedebatten wordt er een kunstmatig onderscheid gecreëerd tussen ‘de samenleving’ en mensen ‘buiten de samenleving’ en in stand gehouden. Dit heeft er alles mee te maken dat men niet weet wat ‘de samenleving’ is, maar door constant aan te wijzen wat ‘de samenleving’ NIET is, worden de eigen normen en waarden herdefinieerd.

De ‘samenleving’ heeft dus eigenlijk behoefte aan het aanwijzen van zondebokken, zonder te beseffen dat ‘de ander’ eigenlijk ook een deel is van die zelfde samenleving. Dit is wellicht waarom de Nederlandse burgerschap zo wordt gesacraliseerd. Het wordt steeds moeilijker gemaakt om de Nederlandse status te verkrijgen en de inhoud van het ‘Nederlander’ zijn verandert ook voortdurend, zoals eerder gesteld. Er vindt een hevige focus plaats op deze sociaal-politieke status, wellicht vanwege deze Schinkeliaanse teleoloosheid. Zo is tegenwoordig het illegaal verblijven in Nederland zelfs strafbaar!

Om een lang verhaal kort te maken, is papa lichtelijk schizofreen en inconsequent in het behandelen van zijn gasten. Je zult je vast afvragen waar de mama, die vaak symbool staat voor compassie, bemiddelaar, zachtaardigheid en zorgzaamheid, in dit verhaal is gebleven. Die vraag stel ik mijzelf ook af!

Abdullah Aslan


Biografie: Abdullah Aslan is een sociologiestudent die is geboren en getogen in Rotterdam-Zuid. “Ik heb enigszins straatwijsheid gezien tijdens mijn verblijf in vele achterstandswijken in Rotterdam. Nu probeer ik met mijn straatmentaliteit een weg te banen in de wetenschappelijke wereld. Gezien het voorgaande, heb ik ten midden van vele spanningsvelden gestaan, wat mijn visie op zaken enigszins heeft verbreed. Dit stelt mij dan ook in staat om alledaagse ‘kennis’ in twijfel te trekken en zogenaamd te defamiliariseren. Jong en fris als ik ben, probeer ik verfrissende ideeën te tentoonspreiden om ‘gewone’ zaken maar eens vanuit een ander perspectief te bekijken.”

 

 

 To live! Like a tree, alone and free,

And like a forest, in brotherhood.

– Nazım Hikmet Ran

De blikken zijn gericht op de toekomst. We kijken recht vooruit want wij gaan een mooie toekomst opbouwen – speciaal voor de jeugd van tegenwoordig. Beginnen we bij het spekken van de spaarrekening? Of gaan we toch voor de beste school? Moeten we niet verhuizen naar een veilige(re) buurt? Onze blik is vastberaden gericht op de verste verte en daardoor struikelen we weleens over kiezelstenen op ons pad. Wat zijn die kiezelstenen dan?

Het creëren van financiële zekerheid, goede onderwijsmogelijkheden en een veilige buurt zijn enkele belangrijke aspecten van een voorspoedige ontwikkeling voor een kind. Er zijn echter meer aspecten die een kind helpen klaarstomen voor de toekomst in een multicultureel en multireligieus Nederland. Een Nederland dat tolerantie (weer) als basis neemt. Een Nederland dat het boegbeeld is van vreedzaam samenleven. Een Nederland waarin we teruggaan naar het “tijdperk” van wederzijdse interesse, waarbij acceptatie het logische gevolg was van de interesse. Hoewel dit utopisch geformuleerd lijkt, moeten we ons realiseren dat dit slechts een aantal decennia terug de alledaagse werkelijkheid was.

Niet ontkennen, maar ontdekken is een gezond uitgangspunt van een opvoeding die aansluit op het Nederland van de toekomst. Zowel verschillen als overeenkomsten moeten ontdekt worden. Zowel zichzelf als de ander moet ontdekt worden. Met de huidige focus die zich langzaam verlegt van overeenkomsten naar verschillen, versterken wij verkeerde gevoelens van de jeugd. Als het benoemen van een verschil niet afgesloten wordt met een glimlach, krijgt dit verschil een verkeerd plekje in het gebied van Wernicke, ofwel ons taalcentrum in de hersenen waarmee we betekenis toekennen aan taal. Een opeenstapeling van deze verkeerde bruggen in de verkeerde gebieden brengt een versnipperd landschap met zich mee. Een toverstaf is dan onvoldoende om de jeugd – en op den duur de maatschappij – om te vormen tot een vreedzame en bloeiende samenleving.

Samenleven noemen ik niet voor niets kunst. Van alle neuzen die wijzen, wordt verwacht dat ze bewust wijzen – en dan het liefst in dezelfde richting. Uit welke hoek de neus komt, doet er niet toe. Als het maar wijst naar de vraag hoe we samen kunnen (leren) leven. Samen wijzen naar deze vraag is daarom al een antwoord op zich, en een goede stap richting een bewuste omgang met elkaar. Wanneer ouders hun kinderen leren ontdekken in plaats van ontkennen, staat de basis voor een open en vreedzame maatschappij sterker.  De kiezelstenen (of misschien wel de valkuilen?) zijn de verschillen die uitvergroot worden tot onoverkoombare obstakels die het samenleven verstoren. Wie weet wat voor moois er naar binnen komt als we al onze denkbeeldige en gesloten deuren op een kiertje zetten.

De oplossing is misschien wel een verplichte integratiecursus voor alle inwoners van Nederland. Laten wij met zijn allen integreren tot Nederland. Eén, sterk en uniek.

Waar de kleuren in een mozaïek zich van elkaar afscheiden in begrensde hokjes, verwikkelen en omhelzen de kleuren elkaar bij een Ebru. De Ebru techniek is gebaseerd op het druppelen en/of aanbrengen van verf met een kwast in een oplossing; “verven op water”. Hoewel een Ebru schilderij uit verschillende kleuren bestaat, vormen zij samen een heel mooi geheel, zonder dat de kleuren zijn eigen identiteiten verliezen.

Wij als Nederlandse maatschappij zouden hier een heel mooie boodschap uit kunnen halen! Waarom zouden de 190 soorten nationaliteiten in Nederland elkaar niet kunnen omhelzen, dansend als verschillende soorten verfdruppeltjes,  zonder zijn eigen kleur te verliezen en om zo een harmonieus maatschappij te vormen?

Het enige wat we hiervoor nodig hebben is liefde, respect en tolerantie. Om deze drie fundamentele pilaren van een gezonde maatschappij  te bemachtigen als individu en of groep hebben wij slechts één ding nodig; kennis over wat onbekend en anders is voor ons.
Het vervelende is alleen dat minderheden elkaar altijd opzoeken en zich in een bepaalde mate van anderen isoleren. Dit maakt het natuurlijk erg lastig om de donkere paden van andere culturen te bewandelen. Onze enige zaklamp die we dan bij de hand kunnen hebben is het nemen van eigen initiatief en genoeg lef om onbekende terreinen te exploreren.

Als student zijnde liep ik op mijn eerste collegedag de collegezalen binnen waar 300 andere medestudenten ieder zijn eigen plekje had gekozen op de collegebanken. Dat soort daadwerkelijk soort opzoekt werd mij hier duidelijk, want als oliedruppels op water zochten de meeste leden van de minderheidsgroepen elkaar op. Met mijn Turkse achtergrond op zak mengde ik mij tegen alle verwachtingen in tussen een groepje multiculturele studenten. Ik zat niet bij mijn Turkse medestudenten, wat deed ik nou?!

Het feit is dat we (of we het willen of niet) genoodzaakt zijn om elkaar beter te leren kennen. We moeten er zelfs verdomd snel mee zijn! Als ongekend onbemind maakt, moeten wij als een speer in intercultureel dialoog met elkaar. Als je zelf wilt weten hoe divers jou vriendenkring is hoef je alleen in je telefoonboekje te kijken; heb je een multiculturele lijst, dan ben je goed op weg.

Een schitterende weg waar je je als individu enorm kan verrijken en op een gegeven moment ben je naast dat je Nederland bent ook een Turk, Marokkaan, Surinamer, Antilliaan, Hindoestaan, Chinees et cetera. Je weet en begrijpt waarom koeien zo heilig zijn in India, waarom Turken zo enorm trots zijn op Turkije en waarom Chinezen met stokjes eten. Op een gegeven moment gooi je je eentonige zwarte bril op zij, een bril waarmee je altijd alles eenkleurig hebt gezien en waarmee je (enigszins) met vooroordelen naar je medemensen hebt gekeken. Door deze brillen af te zetten zullen we ook anders naar elkaar kijken, we begrijpen elkaar beter, hebben meer respect, hebben elkaar meer lief en tolereren veel meer.

We hoeven niet hetzelfde te zijn, maar we kunnen elkaars handen vast hebben en als mede reizigers het Pad van het Leven bewandelen!

Yahya Gül
Student Geneeskunde Erasmus Universiteit Rotterdam


Datum:         1 april 2011
Auteur:        Yahya Gül