Wat vinden jonge politici van democratie? Hoe hoort een democratische samenleving volgens hen eruit te zien? In het kader van de themamaand “democratie” hebben drie jonge politici die hebben deelgenomen aan de Future leaders bijeenkomst ieder een artikel geschreven over dit onderwerp. Hieronder het artikel van Manuel Buitenhuis.

Democratie is een ode aan gelijkwaardigheid. In Nederland heeft iedereen een stem, en wordt niet naar geloof of afkomst gekeken bij het bepalen van iemands invloed op het democratische systeem. Dat systeem past bij een land waarin iedereen graag zijn zegje doet over alles, of het nu het weer is, de nieuwste opstelling van Van Gaal of de laatste stand van zaken in Den Haag.

Het is mede dankzij die wil om onze stem te verheffen dat Nederland een levendig publiek debat kent. Binnen dat debat is de laatste jaren een trend zichtbaar die het bewijs is van de wisselwerking tussen democratische rechten en een maatschappelijke discussie. Een steeds grotere groep Nederlanders voelde zich niet serieus genomen door de politiek. Jarenlang is er met een bezwerend vingertje gewezen naar een groep mensen die volgens politici maar niet wilde inzien dat óók de nieuwste opgedwongen maatregel toch echt voor hun eigen bestwil was. Meningsverschillen werden in die gevallen weggezet als onwetendheid. Als we die onwetendheid lang genoeg negeren, gaat hij vanzelf wel weg. De echte onwetendheid bleek in Den Haag te zitten. In reactie op de opmars van Fortuyn, en later Verdonk en Wilders lijken steeds meer partijen te erkennen dat democratie niet alleen vóór mensen, maar ook vàn mensen is.

Het is natuurlijk niet zo dat het gevoel niet serieus genomen te worden daarmee in een keer weg is. Dat is iets waar tijd overheen gaat; maar politici kunnen wel helpen. Den Haag mag best wat minder bang zijn voor haar kiezers. Op voorstellen tot democratische vernieuwing en meer transparantie wordt al jaren halsstarrig gereageerd: dat is toch nergens voor nodig? Inspraak is welkom en de peilingen worden nauwlettend in de gaten gehouden. Maar de kiezer mag maar eens in de vier jaar doorslaggevend zijn. Een parlement dat haar kiezers niet vertrouwt met de mogelijkheid haar te corrigeren of om een burgemeester te kiezen, is bang voor de mensen die haar verkiezen. En wat erger is: het is een blijk van wantrouwen.

Een volwassen verhouding tussen democratische organen en haar kiezers veronderstelt vertrouwen. Dat vetrouwen gaat beide kanten op: kiezers vertrouwen erop dat politici doen waar ze voor gekozen zijn, en politici zouden meer dan nu moeten vertrouwen op de wens van de kiezer. Het politieke kompas van honderdvijftig Kamerleden hoeft immers niet altijd gelijk te lopen met dat van de maatschappij in zijn geheel. Het vereist lef om te erkennen dat je af en toe fout kan zitten; lef dat vooralsnog helaas ontbreekt bij de meeste politieke partijen. Dat is zonde, want het vergroten van de democratische rechten van Nederlanders zou een gezonde en frisse wind kunnen blazen door het Nederlandse publieke debat.

Manuel Buitenhuis is “secretaris pers” in het landelijk bestuur van de Jonge Democraten (Jonge D66’ers). Hij studeert geschiedenis en filosofie van de wetenschap aan de Universiteit Utrecht.

Zie verder de volgende link voor het verslag van de “Future leaders” bijeenkomst:
https://platformins.nl/future-leaders-met-jonge-politici/

Wat vinden jonge politici van democratie? Hoe hoort een democratische samenleving volgens hen eruit te zien? In het kader van de themamaand “democratie” hebben drie jonge politici die hebben deelgenomen aan de Future leaders bijeenkomst ieder een artikel geschreven over dit onderwerp. Hieronder het artikel van Jojanneke Vanderveen.

Als student politieke filosofie heb ik me de afgelopen tijd dagelijks beziggehouden met de vraag: wat is de rechtvaardige staat? Het is een ingewikkelde vraag, waar allerlei antwoorden op bestaan die soms van visie verschillen, maar soms ook gewoon een ander doel hebben. Zo schetsen sommige theorieën een beeld van de ideale samenleving, een soort utopie, terwijl andere filosofen meer bezig zijn met de vraag wat je praktisch gezien zou moeten doen om een ideale wereld dichterbij te brengen.

Deze column heeft meer betrekking op dat laatste project. Ik wil me nu vooral buigen over de vraag hoe het individuele recht om je eigen levenspad te kiezen, zich verhoudt tot de democratie. Wanneer wordt dit recht geschonden en wat betekent een schending van dat recht voor het functioneren van de democratie?

Eén opmerking uit de Future leaders-bijeenkomst is mij met name bijgebleven. Toen ik mij uitsprak voor onderwijs dat het kritisch denkvermogen stimuleert, reageerde iemand met: “ja, maar daar zal niet iedereen voor zijn. Wat als mensen dan van hun geloof vallen?” Ik schrok toen een beetje. Ik had er nog niet over nagedacht dat je dat als risico kon zien, en het leek me ook onwenselijk; als (sommige) mensen alleen bij hun geloof blijven als ze niet worden aangemoedigd er kritisch op te reflecteren, is het dan wel zo’n stabiele overtuiging?

Bovendien – en dan komen we bij de rechten van het individu – heeft een collectief, of dat collectief nou gebaseerd is op een religieuze overtuiging, een politieke overtuiging of bijvoorbeeld de geografische reden dat je allemaal in hetzelfde land woont, het recht individuen binnen boord te houden door te proberen hen zo min mogelijk te laten nadenken? Misschien wordt hun feitelijke keuzevrijheid niet beperkt, maar als mensen van kinds af aan niet wordt geleerd van die keuzevrijheid gebruik te maken, kunnen we dan wel zeggen dat ze echt in staat zijn om te kiezen?

Ik denk het niet. En op het moment dat we mensen dat niet leren, is ook de democratie in gevaar. Hoe minder kritisch de massa, hoe groter de kansen voor kwaadwillende, op macht beluste politici. De geschiedenis laat zien dat het vervolgens juist de kritische geesten zijn die het meest te vrezen hebben van deze machtswellustelingen.

Zo worden de rechten van het individu dus tweemaal bedreigd als kritisch nadenken geen prioriteit krijgt. Er wordt gecompromitteerd op de keuzevrijheid van hen die het niet leren. Hoe meer mensen het niet leren, hoe groter de kans dat zij  – die het kunnen – juist daarom onderdrukt worden. Ik wil de lans dus nog maar eens breken: als we het recht om je eigen levenspad te kiezen respecteren én als we werkelijk waarde hechten aan de democratie, laten we dan het kritisch denkvermogen uiterst serieus nemen. Misschien eens filosofie in het basisonderwijs introduceren?

Jojanneke Vanderveen is oud-voorzitter van DWARS (Groenlinkse jongeren) en studeert politieke filosofie.

Zie verder de volgende link voor het verslag van de “Future leaders” bijeenkomst: https://platformins.nl/future-leaders-met-jonge-politici/

Wat vinden jonge politici van democratie? Hoe hoort een democratische samenleving volgens hen eruit te zien? In het kader van de themamaand “democratie” hebben drie jonge politici die hebben deelgenomen aan de Future leaders bijeenkomst ieder een artikel geschreven over dit onderwerp. Hieronder het artikel van Jeroen Toet.

Volksheerschappij, oftewel democratie, is volgens de oude Griekse filosoof Plato één van de slechtste bestuursvormen. Ruim 400 jaar voor Christus was deze denker zijn tijd al ver vooruit door de mogelijke gevaren van deze bestuursvorm bloot te leggen. Volgens hem zou democratie namelijk leiden tot een samenleving waarin iedereen gaat voor eigen belang. Een massa-maatschappij waarin men pleit voor de bewaking van eigen belangen, weelde en overvloed.

In de Westerse wereld is democratie een paspoort geworden als persoonlijke identificatie. Democratie wordt hier heilig verklaard. De vraag is hoe die persoonlijke identificatie wordt geïnterpreteerd. Als je bijvoorbeeld de Kopenhagen-criteria bekijkt, waarin de Europese Unie toetredende landen als voorwaarden oplegt dat democratische waarden geaccepteerd moeten worden, lijkt het erop dat democratie als een waarde op zichzelf wordt gezien.

Maar democratie heeft op zichzelf geen inhoud. Democratie is een instrument, waar ik als liberaal wel een belangrijke kernwaarde aan kan hechten. Die kernwaarde zou moeten zijn dat democratie een garantiebewijs is voor de morele waarden die een samenleving met elkaar deelt. Democratie is dus enkel een bewakingsinstrument. Wie kan gelijkheid of zijn individuele vrijheid beschermen als iemand anders meer recht van spreken heeft? Via een democratie kunnen die morele waarden beschermd worden.

Wie de achtergrond van de Arabische Lente gaat betrekken in de discussie over democratie, kan zich afvragen of Plato het bij het juiste eind had. Gaat een democratie wel op in een samenleving zonder een trias politica? Gaat democratie wel op in een samenleving met een constitutie die geen morele waarden als vrijheid en gelijkheid beschermt. Want dan zou de uitkomst van die revoluties wel eens kunnen zijn dan democratie uitmondt in een systeem waar enkel de stem van de meerderheid geldt. Een meerderheid bestaande uit de helft plus één.

De vraag is dus of wij in het Westen nog wel fan zouden moeten zijn van democratie. Wordt het niet eens tijd voor een beetje meer Plato? Wordt het niet eens tijd dat de Westerse wereld afstapt van de illusie dat democratie een oplossing is voor landen waar minderheden onderdrukt worden, corruptie de overhand heeft en er sprake is van bestuurlijke chaos? In die situaties pleit ik liever voor het behoud, de ontwikkeling of introductie van morele standaarden.

Jeroen Toet studeert Bestuurskunde en is oud-voorzitter van JOVD (VVD jongeren) in Den Haag

Zie verder de volgende link voor het verslag van de “Future leaders” bijeenkomst: https://platformins.nl/future-leaders-met-jonge-politici/

 

 

En daar verscheen het weer op de agenda van het publieke debat: de vrouwenemancipatie. De reactie van Matthijs van Nieuwkerk in de aflevering van De Wereld Draait Door van 8 maart 2013 verwoordt mijn verbazing over deze alsmaar terugkerende discussie, als hij spontaan uitroept: ‘Ik was het bijna vergeten: de vrouwenemancipatie!’ En even later: ‘Ik heb het gevoel of ik word teruggeworpen in de tijd!’ Ja, waar gaat het debat over vrouwenemancipatie tegenwoordig eigenlijk nog over? Is die strijd niet al lang gestreden?

Vrouwenemancipatie in vogelvlucht
Jarenlang streden vrouwenbewegingen voor de democratisering van de Nederlandse samenleving, en gelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Zo werd er aan het einde van de 19e eeuw gestreden voor vrouwenkiesrecht tijdens de eerste feministische golf. Een tweede hoogtepunt beleefde het feminisme in de jaren ’60 en ’70 van de twintigste eeuw. Toen waren de seksuele bevrijding en economische zelfstandigheid van de vrouw belangrijke speerpunten. In de derde feministische golf strijden vanaf het midden van de jaren ’90 met name ex-moslima’s voor de vrijheid je te ontwikkelen zonder culturele of religieuze belemmeringen. De discussie die de afgelopen maanden wordt gevoerd, richt zich echter voornamelijk op gelijke beloning en de financiële onafhankelijkheid van de autochtone vrouw. Thema’s die vooral tijdens de tweede feministische golf belangrijke strijdpunten waren.

De huidige stand van zaken in cijfers
Worden we in het huidige debat rondom vrouwenemancipatie onnodig teruggeworpen in de tijd? Houden we ons bezig met een strijd die eigenlijk al lang uitgestreden is? Hoe staat het tegenwoordig in Nederland met de gelijke beloning en de economische onafhankelijkheid van de vrouw? Voor de beantwoording van deze vraag kunnen we allereerst naar de cijfers kijken. En deze cijfers liegen er niet om. Op 6 maart 2013 bericht het CBS dat vrouwelijke werknemers slechts 55 procent van het gemiddelde inkomen van mannelijke werknemers verdient. Dat is op het eerste gezicht even schrikken, maar wordt grotendeels verklaard doordat vrouwen vaak minder werken dan mannen. Echter, na correctie van arbeidsduur, maar ook van opleidingsniveau, beroepsniveau, werkervaring, bedrijfssector en het al dan niet hebben van een leidinggevende functie, blijft er bij voltijds werknemers nog een onverklaarbaar verschil over van 15 procentpunt, aldus het CBS.

Als we nog even verder in de cijfertjes duiken, weet het CBS ons te vertellen dat ruim 3 miljoen vrouwen tegenwoordig kiezen voor een baan in deeltijd. De belangrijkste reden voor deze keuze is de zorg voor het gezin of huishouden. Wanneer vrouwen kiezen voor een deeltijdbaan, lopen zij volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) een groter risico in armoede te vervallen. Want als vrouwen hierdoor economisch afhankelijk worden van hun partner en deze wegvalt, belanden zij in de bijstand. En gezien het aantal scheidingen – 1 op de 3 – is het risico dat deze vrouwen nemen niet gering.

Het huidige debat
Als we de cijfers mogen geloven is het in Nederland anno 2013 dus somber gesteld met zowel de gelijke beloning als de economische onafhankelijkheid van de vrouw. Is de strijd voor de democratisering van de samenleving en gelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen dan inderdaad nog lang niet uitgestreden? Over de stelling dat ongelijke beloning onrechtvaardig is, is  denk ik weinig discussie nodig. Dat mannen en vrouwen ongelijk beloond worden, is namelijk in strijd met artikel 1 in onze grondwet. Deze wet stelt dat:

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Het feit dat na aftrek van arbeidsduur, opleidingsniveau, werkervaring, etc. er een onverklaarbaar 15 procentpunt verschil blijft bestaan tussen de beloning van mannen ten opzichte van de vrouwen, is strijdig met artikel 1. Hoewel deze wet stelt dat discriminatie wegens geslacht niet is toegestaan, blijkt de praktijk hier niet volledig aan te voldoen.

Het is echter de economische onafhankelijkheid waar in de recente discussie vooral veel aandacht naar uit gaat. De argumenten die in dit debat de revue passeren, draaien om waarden als verantwoordelijkheid, keuzevrijheid en zelfstandigheid. Het ene kamp is bezorgd over de kwetsbare positie van de economisch onafhankelijke vrouw en betoogt dat zij er verstandig aan doet financieel zelfstandig te zijn omdat een echtscheiding – en daarmee het risico op een armoedeval – een reële optie is. Eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid hebben de verdedigers van dit standpunt hoog in het vaandel staan. Als je het voor jezelf maar goed geregeld hebt.

Vanuit het andere kamp klinkt een tegenovergesteld geluid. Daar wordt gewezen op de keuzevrijheid van de vrouw om het eigen leven vorm te geven. Als een hoogopgeleide vrouw liever een deeltijdbaan neemt zodat zij ook de zorg voor de kinderen en het huishouden op zich kan nemen, wie zijn anderen om daar iets van te zeggen? Juist deze verworven vrijheid is een verdienste van de emancipatiestrijd.

Dat de doelen waar de vrouwenbeweging tijdens de tweede feministische golf voor vocht anno 2013 niet volledig gerealiseerd blijken, moge duidelijk zijn. Wat mij betreft mag ongelijke beloning dan ook zeker op de agenda staan van de hedendaagse emancipatiestrijd. Want als mannen en vrouwen daadwerkelijk beschouwd zouden worden als ‘gelijke gevallen’ dan zouden zij ook een gelijke behandeling – dus beloning – krijgen. Hier valt dus nog zeker winst te behalen.

Dit is naar mijn mening anders als het gaat om de financiële onafhankelijkheid van de vrouw. Daar waar vrouwen hoogstwaarschijnlijk niet vrijwillig zullen kiezen voor het krijgen van een lager loon dan hun mannelijke collega’s krijgen, is het een stuk waarschijnlijker dat zij wel kiezen voor een deeltijdbaan en/of de zorg voor de kinderen en het huishouden – en de financiële gevolgen die een dergelijke keuze met zich meebrengt. Strijden voor de financiële onafhankelijkheid van de vrouw in deze tijd, zal in veel gevallen dus indruisen tegen de behoeften van diezelfde vrouw. Een beweging die de onderdrukte vrouw wil bevrijden door haar financieel onafhankelijk te maken, streeft zo haar doel voorbij door de vrouw bemoeizuchtig te verplichten tot iets wat zij niet wil. Maar hierin zien we ook meteen weer het positieve wat de vrouwenemancipatie de vrouw heeft gebracht, namelijk de vrijheid om het eigen leven vorm te geven. En het zou toch zonde zijn om een vrijheid waar hard voor gevochten is, te beperken om een ander vooropgestelde doelstelling af te kunnen vinken? Daar komt nog bij dat de reden om financiële onafhankelijkheid na te streven, wel een heel negatieve motivatie heeft. De vrouw zou deze onafhankelijkheid moeten nastreven onder het motto van: ‘je kunt alleen op jezelf vertrouwen’. Immers, zij moet altijd rekening houden met een mogelijke scheiding. Dit is wat mij betreft wel een erg pessimistische kijk op het huwelijk en zal het vertrouwen in de levenspartner zeker niet bevorderen. Bovendien is het ook een eenzijdige visie: hoewel een toereikend inkomen onontbeerlijk is voor een goedlopend gezin, is het zorg dragen voor het welzijn van het gezin ook van wezenlijk belang. De kostwinnende man mag na een scheiding dan wel financieel zelfstandig zijn, maar om minstens zo belangrijke punten het alleen ook niet kunnen redden.

Tot slot
De vraag uit de inleiding – gaat het debat over vrouwenemancipatie tegenwoordig eigenlijk nog wel ergens over? – zou ik met een ‘ja’ willen beantwoorden. Daar waar er sprake is van onrecht en ongelijke behandeling van de vrouw, is er zeker nog winst te behalen. Maar daar waar het enkel gaat om de verheerlijking van een feministisch ideaal, daar mogen feministen wat mij betreft de strijdbijl begraven.

 

Nynke van der Veldt

Democratie betekent dat de leiding van een gemeenschap in handen van haar leden, ‘het volk’, ligt. Maar geen enkel volk is een homogene verzameling van eensgezinde individuen. Verschil, onenigheid en conflict worden door veel denkers dan ook als essentiële kenmerken van democratie beschouwd. Zo ook door de Belgische filosofe Chantal Mouffe, die betoogt dat democratie een constante strijd over de macht impliceert. Maar wat maakt dat deze strijd vreedzaam verloopt, en niet resulteert in geweld of onderdrukking? De Amerikaanse filosoof William Connolly laat ons zien dat institutionele ingrediënten als een parlement, een kiesstelsel en een grondwet die onze vrijheden niet afdoende zijn in het voorkomen van een escalaties van conflict. Uiteindelijk komt het er op aan hoe, dat wil zeggen, met welke houding we binnen dit democratisch bestel handelen.

Politiek handelen

Wat Mouffe ons wil laten zien is dat politiek handelen in een democratie uit meer bestaat dan het vierjaarlijks uitbrengen van een stem. Het regeren van een land bestaat uit het nemen van beslissingen ten behoeve van ‘het algemeen belang’. Iedere regering begrijpt dit algemeen belang echter op een andere manier. De strijd om de macht bestaat volgens Mouffe daarom uit het verdedigen van een bepaalde interpretatie van het algemeen belang. Dit doen we door betekenis te geven aan de twee centrale democratische waarden van vrijheid en gelijkheid en vervolgens ‘strijden’ aanhangers van die specifieke interpretatie voor de hegemonie – de overheersing. Bijvoorbeeld door anderen te overtuigen dat een vrije woningmarkt voor iedereen rechtvaardiger is, of door ons hard te maken voor een betere arbeidspositie van de immigrant, of door mensen te doen inzien dat iedereen recht heeft op een schoon milieu.
Politiek handelen volgens Mouffe betekent dus het meedoen in deze strijd om hegemonie en algemene acceptatie.
Het onderscheid tussen burgers en politici is daarbij vloeibaar: in een democratische ‘strijd’ kun je weliswaar leiders en volgers onderscheiden, maar beiden identificeren zich met een politieke identiteit die een bepaalde opvatting van het algemeen belang voorstaat, zoals ‘liberaal’, ‘groen’ of ‘sociaaldemocraat’. Wanneer je je niet weet te identificeren met bestaande politieke identiteiten, komt het erop aan er zelf een te vormen en zo de macht te veroveren.
Mouffe probeert te laten zien dat absolute consensus mogelijk noch wenselijk is. Er zijn te veel verschillende opvattingen en identiteiten om allemaal gelijke zeggenschap te kunnen laten hebben. Uitsluiting is in een democratische strijd onvermijdelijk: een land kan immers niet geleid worden op basis van 1001 interpretaties van het algemeen belang. Maar deze uitsluiting is altijd tijdelijk en bediscussieerbaar.

Gelijkwaardige tegenstanders

Een democratische strijd bestaat dus bij gratie van de politieke tegenstander. Om deze strijd niet te laten escaleren en vreedzaam te laten verlopen, is het volgens Mouffe cruciaal dat tegenstanders elkaar erkennen als politieke tegenstander, die precies hetzelfde recht hebben om hun opvattingen te verdedigen. Hierbij neemt Mouffe aan dat we de erkenning van de ander als gelijke allemaal even gemakkelijk opbrengen. Maar hoe kan ik de ander als gelijkwaardig beschouwen als ik mijn eigen opvattingen superieur vind, dat wil zeggen, de moeite van een strijd om hegemonie waard acht?
De Amerikaanse denker William Connolly betoogt dat dit alleen mogelijk is wanneer we een specifieke deugd ontwikkelen, die hij ‘agonistisch respect’ noemt. Deze deugd vergt echter heel wat inspanning. Volgens hem zijn mensen namelijk instinctief geneigd om alles wat anders of afwijkend is als bedreigend voor hun eigen identiteit te ervaren. In reactie op het pluralisme van moderne samenlevingen, ziet Connolly een hardnekkig streven naar eenheid, normaliteit en homogeniteit. Zwaarlijvige mensen en rokers moeten worden aangepakt, de immigrant moet zich aanpassen en integreren, en ‘de’ joods-christelijke cultuur moet worden beschermd.

Relativisme als democratische deugd?
Wijzend op de veelzijdigheid van de wereld en de ontelbare verschillen tussen mensen, stelt Connolly dat dit verlangen naar eenheid onvervulbaar is. Het komt er volgens hem op aan ons te verzoenen met dit chronische gebrek aan eenheid, door de veelheid aan identiteiten en tegenstellingen te accepteren die ons maken tot wie we zijn. Dit vergt volgens Connolly een radicale erkenning van de relativiteit en toevalligheid van onze eigen identiteit en opvattingen. We moeten ons realiseren dat wie we zijn, evengoed anders had kunnen zijn, dat ons evengoed een andere mening kon zijn toegedaan. Hij gelooft dat we pas dan de betwistbaarheid van onze eigen opvattingen kunnen onderschrijven die nodig is om de ander als gelijke tegenstander te zien.
Maar als agonistisch respect een verzoening vereist met het idee dat alles resultaat is van toeval, worden zij die wel geloven dat er achter alles een reden of bedoeling schuilgaat dan niet buitengesloten? Hoe democratisch is een politieke strijd eigenlijk, als deelname alleen mogelijk is voor de ‘postmoderne mens’ die gelooft in de willekeur van zijn eigen bestaan?
Hoewel Connolly inderdaad de contingentie van identiteit en omstandigheden benadrukt, betekent dit volgens mij niet noodzakelijk dat iedereen dit moet onderschrijven om deel te nemen aan democratische politiek. Het werkelijke belang van de deugd van agonistisch respect bestaat niet uit een acceptatie van toeval en willekeur, maar uit het onderdrukken van de drang om onze eigen opvattingen als universeel geldend te zien en ze op te leggen aan de ander. Wat Connolly laat zien is dat een democratische strijd om de macht, altijd ook een innerlijk verzet tegen een fundamentalisme van het eigen gelijk vereist.  Dit kan door verschillen niet als bedreiging te zien, maar ze eerder te omarmen als onvermijdelijk voor en als verrijking van een democratische samenleving.

Beatrijs Haverkamp studeerde filosofie aan de Universiteit van Utrecht en Amsterdam. In het kader daarvan liep zij stage bij de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid en de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur.