,

Column – Sacralisering van de burgerschap: de roep om mama

Als kind hebben we bijna allemaal in onderlinge confrontaties het volgende uitgesproken: “mijn vader is sterker dan jouw vader”. Wat waren we toch trots op onze papa’s. Nu we volwassen zijn is deze retoriek omgeslagen tot: “mijn burgerlijke status is beter dan jouw status”. Het mechanisme achter deze twee citaten is vergelijkbaar, gezien het feit dat ze beide doordrenkt zijn met trots, vertrouwen en het willen verheven van jezelf. Heeft het kind echter alle schuld in deze denkwijze, wanneer het door papa op deze wijze is geïndoctrineerd? De grote, sterke papa zal toch altijd wel gelijk hebben?

Papa was echter vol tegenstrijdigheden. Naast zijn eigen werk, had hij geen tijd en kracht om ook het huishouden te doen. Papa besloot daarom mensen uit te nodigen die het huishouden voor hem wilden doen en in ruil in het huis mochten verblijven. De ‘gasten’ waren nederig, behulpzaam en tevreden met wat ze hadden. Veel keus hadden ze ook niet, want ze waren afhankelijk geworden van dat werk en zagen zichzelf nog steeds al gast. “Jullie hoeven niet zo bescheiden te doen hoor, dit is ook jullie huis geworden” zei papa, niet wetend dat hij hier later spijt van zal krijgen. Zo liep de overeenkomst nog jaren door. Papa verwachtte de zelfde inzet, maar ook de gasten werden een dagje ouder. Ze werkten trager en werden vaker ziek. Maar daarvoor heeft papa ze toch niet aangenomen? De problemen begonnen pas echt, toen de gasten kinderen kregen. Zij waren anders. Van timiditeit was er bij hen geen sprake, omdat ze niet zo nederig en behulpzaam waren als hun ouders. Ze waren mondig en begonnen dingen te eisen. In ons huis nog wel! Papa sprak ze hierop aan, en kreeg een onverwachte reactie van de kinderen terug: “dit is ook ons huis!” Er viel een pijnlijke stilte, en papa besefte eindelijk dat de gasten blijvertjes waren. Sindsdien is er een haat-liefde relatie tussen mijn papa en de aanvankelijke gasten; tegenwoordig mijn stiefbroers en – zussen. De pijnlijke confrontatie met de realiteit heeft echter mijn papa veranderd. Hij zou nooit meer hetzelfde zijn.

Het moge geen verrassing zijn dat de voorgaande parabel betrekking heeft op de relaties tussen de Nederlandse staat (wat dat ook moge zijn) en de ‘gasten’, waar aanvankelijk het idee heerste dat ze, zoals de term al impliceert, slechts tijdelijk in Nederland zouden verblijven. Helemaal in overeenstemming met de culturen van deze migranten, werden ze als gast enigszins gepamperd. Mits ze hard bleven werken en niet klagen natuurlijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Nederland geen actieve integratiebeleid heeft gevoerd ten aanzien van deze migranten. Het idee van de tijdelijke aard van de migratie, heeft zich uiteraard ook genesteld in vele beleidsmaatregelen.

Zo is er geen eenduidig beleid te herkennen ten aanzien van het integratiebeleid. Zo voerde Nederland tot de jaren ’80 een differentialistisch beleid. Met het idee in het achterhoofd dat het migrantenverblijf van tijdelijke aard zou zijn, zijn er vanuit de overheid weinig voorzieningen getroffen voor de ‘nieuwe-Nederlanders’. Beleid was hierbij gericht om de verschillende ‘groepen’ zo veel mogelijk te scheiden van de ‘gastheren’. De migranten kregen dan ook alle vrijheid om hun eigen thuiscultuur te beleven in Nederland, waarbij onderwijs in eigen taal en cultuur ook mogelijk was. Na incidenten als de treinkaping door de Molukkers, en het heersende idee dat de migranten zich toch voorgoed zouden vestigen, was er sprake van herbezinning. Dit was de periode (1980-1994) dat er een minderhedenbeleid tot stand moest komen, en zo kwam het befaamde multiculturalisme idee tot stand. Het idee was om de rechtspositie van de migranten te verstevigen zonder naturalisatiedwang en om sociaal-economische achterstanden weg te werken. Deze aanpak leidde echter in de praktijk vaak tot marginalisering. Vanaf 1994 heerste echter weer een nieuw discours, namelijk het republikanistische model. Hierbij verschoof het accent van groepen naar individuen; etnische minderheden werden allochtonen. Hierbij werd er ook getracht de burgerschap te bevorderen via inburgering en taalonderwijs. Pas vanaf ongeveer 2002 ontstond het idee van assimilationisme (aanpassingsbeleid). Dit is de periode van sterke politisering van immigratie en integratie door onder andere populisten als Verdonk, Hirsi Ali en Wilders. Allochtonen kregen geen speciale voorzieningen meer en er werd enkelvoudige loyaliteit van ze vereist. Dit impliceerde onder andere een afkeer ten aanzien van dubbele nationaliteiten. Door de vele discoursveranderingen, veranderde de term ‘integratie’ ook inhoudelijk. Dit werd pijnlijk duidelijk toen Commissie Blok in 2002 een rapport uitbracht waarin de integratie, ondanks de overheid, vrij succesvol werd beschouwd. Dit heeft tot veel weerstand geleid bij politici als Hirsi Ali. De algemene opvatting was immers dat integratie wel mislukt hoorde te zijn. Hoe kwam het echter dat de politiek een andere conclusie trok dan Commissie Blok (in samenwerking met Verwey-Jonker Instituut)? Dit heeft alles te maken met de veranderde inhoud van de term integratie. De grap is namelijk dat er geen eenduidige definitie bestaat van integratie. Integratie heeft immers een politiek-juridische, sociaal-economische en sociaal-culturele dimensie. Waar in de eerste twee betekenissen, positionering en participatie centraal stonden, gold voor de laatste betekenis (sociaal-culturele) ook acculturatie (het overnemen van elementen van een vreemde cultuur) en identificatie.

Waar Commissie Blok dus een focus legde op de politiek-juridische en sociaal-economische dimensie, kwamen ze tot de conclusie dat integratie wel was geslaagd. Er was immers een grote verbetering in de onderwijsprestaties en arbeidsparticipatie van de migranten. Volgens de heersende actoren in de integratiedebatten was dit echter een immense flater. De debatten focusten zich immers niet meer op rassen, maar op ideologieën. Niet de Turken of de Marokkanen, maar de islam werd als probleem gezien en enorm gepolitiseerd. Uiteraard heeft dit vele sociale en politieke factoren ten grondslag, maar ik wil dit verhaal meer een filosofische wending geven via de ideeën van de socioloog Willem Schinkel.

Hij ziet de maatschappij als een sociaal lichaam met een economische zijde en identiteitszijde. Door factoren als secularisering, individualisering, globalisering en multiculturalisering is het lichaam zijn richting kwijtgeraakt (teleoloosheid genoemd door Schinkel). Er worden wel doelstellingen gecreëerd als economische groei, maar uit wanhoop, omdat het lichaam in een identiteitscrisis zit. Daarom spreekt Schinkel van een hypochondrische maatschappij; een maatschappij die te veel aan zelfanalyse doet en zich allerlei kwalen aanpraat. Via de integratiedebatten wordt er een kunstmatig onderscheid gecreëerd tussen ‘de samenleving’ en mensen ‘buiten de samenleving’ en in stand gehouden. Dit heeft er alles mee te maken dat men niet weet wat ‘de samenleving’ is, maar door constant aan te wijzen wat ‘de samenleving’ NIET is, worden de eigen normen en waarden herdefinieerd.

De ‘samenleving’ heeft dus eigenlijk behoefte aan het aanwijzen van zondebokken, zonder te beseffen dat ‘de ander’ eigenlijk ook een deel is van die zelfde samenleving. Dit is wellicht waarom de Nederlandse burgerschap zo wordt gesacraliseerd. Het wordt steeds moeilijker gemaakt om de Nederlandse status te verkrijgen en de inhoud van het ‘Nederlander’ zijn verandert ook voortdurend, zoals eerder gesteld. Er vindt een hevige focus plaats op deze sociaal-politieke status, wellicht vanwege deze Schinkeliaanse teleoloosheid. Zo is tegenwoordig het illegaal verblijven in Nederland zelfs strafbaar!

Om een lang verhaal kort te maken, is papa lichtelijk schizofreen en inconsequent in het behandelen van zijn gasten. Je zult je vast afvragen waar de mama, die vaak symbool staat voor compassie, bemiddelaar, zachtaardigheid en zorgzaamheid, in dit verhaal is gebleven. Die vraag stel ik mijzelf ook af!

Abdullah Aslan


Biografie: Abdullah Aslan is een sociologiestudent die is geboren en getogen in Rotterdam-Zuid. “Ik heb enigszins straatwijsheid gezien tijdens mijn verblijf in vele achterstandswijken in Rotterdam. Nu probeer ik met mijn straatmentaliteit een weg te banen in de wetenschappelijke wereld. Gezien het voorgaande, heb ik ten midden van vele spanningsvelden gestaan, wat mijn visie op zaken enigszins heeft verbreed. Dit stelt mij dan ook in staat om alledaagse ‘kennis’ in twijfel te trekken en zogenaamd te defamiliariseren. Jong en fris als ik ben, probeer ik verfrissende ideeën te tentoonspreiden om ‘gewone’ zaken maar eens vanuit een ander perspectief te bekijken.”