Berichten

Dialoog Academie, Vrijdag 1 April 2011

Religie ging ‘publiek’ in de jaren tachtig in verschillende publieke sferen. De massamedia, sociale wetenschappers, politici en het ‘publiek’ in zijn algemeen begonnen meer aandacht te schenken aan religie. Religie verliet zijn toegeschreven plek in de private sfeer en gooide zich in de publieke arena van het morele en politieke debat. José Casanova, één van de nieuwe generatie sociologen die met een nieuw paradigma wil komen, constateert vier op het eerste gezicht ongerelateerde ontwikkelingen die religie de wereldpubliciteit gaven en die het opnieuw doordenken teweeg bracht van zijn plaats en rol in de moderne wereld: de islamitische revolutie in Iran, de opkomst van de beweging van Solidariteit in Polen, de rol van het katholicisme de Sandinista revolutie en in andere politieke conflicten doorheen Latijns-Amerika en de heropkomst van protestants fundamentalisme als een politieke kracht in Amerika.

Ook waren er verschillende religieuze conflicten in het Midden-Oosten, Noord-Ierland, voormalig Joegoslavië, India en de voormalige Sovjet Unie. Religieuze activisten en kerken waren sterk betrokken bij de strijd voor vrijheid, rechtvaardigheid en democratie doorheen de hele wereld. Na de val van het socialisme leek vrijheidstheologie de laatste ideologie met globale impact en pretenties.[1]

Natuurlijk waren er ook vele andere religieuze fenomenen, maar deze worden niet genoemd door Casanova, omdat ze, volgens hem, niet relevant zijn voor het begrijpen van de moderniteit. Dit zijn het soort voorbeelden die door Luckman geclassificeerd worden als voorbeelden van ‘private’ vormen van religie of ‘invisible religion’. Zulke religieuze fenomenen vormen geen uitdaging of bedreiging voor de dominante machtsstructuren of de dominante paradigma’s. Voorbeelden hiervan zijn de new age spiritualiteit, televangelisme, de groei van religieuze sekten met de hun omringende controverses, de groei van evangelisch christendom in Amerika en de snelle groei van de islam in Westerse landen.

Casanova geeft toe dat de ontwikkeling die hij schetst niet nieuw is. Het is al lang gaande dat er nieuwe religieuze stromingen ontstaan, dat er religieuze experimenten plaatsvinden en er sprake is van een nieuw religieus bewustzijn. Wat echter wél nieuw en onverwachts is is de wereldwijde opleving van juist die tradities die de seculariseringthese toeschreef marginaal en niet relevant meer te zijn voor de moderne wereld en dat deze transcontinentaal en binnen vrijwel alle grote wereldreligies plaatsvindt.[2]

De centrale thesis van Casanova’s boek is dat we te maken hebben met een ‘deprivatisering’ van religie in de moderne wereld (een term die hij onelegant noemt, maar die we, bij gebrek aan beter, moeten gebruiken om dit nieuwe fenomeen te duiden). Met deprivatisering wordt bedoeld dat religies niet de marginale en geprivatiseerde rol accepteren, die hen toegeschreven is door theorieen van secularisme en moderniteit. Zij zoeken hun eigen wegen om invloed te hebben op de inrichting van de samenleving en maken claim op ruimte in het publieke domein.

Sociale bewegingen zijn ontstaan die of religieus van aard zijn of die in naam van de religie de legitimiteit en autonomiteit uitdagen van de primaire seculiere domeinen, de staat en de markteconomie. Daarnaast accepteren religieuze instituties en organisaties niet om zich te beperken tot de pastorale zorg van individuele zielen en stellen aanhoudend vragen bij de onderlinge verbondenheid tussen private en publieke moraliteit en zetten vragen bij de veronderstelde neutraliteit van subsystemen als de staat en de markten.

Één van de resultaten van deze ontwikkelingen is het duale en intergerelateerde proces van herpolitisering van private religieuze en morele sferen en een hernormativering van de economische en politieke sferen. Dit is het proces dat we de deprivatisering van van religie noemen. Met de term deprivatisering heeft Casanova een tweeledige bedoeling: een polemische en een descriptieve. Allereerst wil hij die theorieën van secularisering in twijfel trekken die de neiging hebben om niet alleen aan te nemen dat er sprake is van een privatisering van religie in de moderne, maar deze ook voorschrijven.

Wat één theorie van secularisering lijkt is eigenlijk opgebouwd uit drie verschillende proposities: secularisering als de afname van religiositeit, secularisering als differentiatie en secularisering als privatisering. Casanova geeft aan dat het noodzakelijk is om analytisch te differentiëren en om de drie hoofdaannames van het klassieke paradigma verschillend te evalueren. De aanname dat religie de neiging zal hebben om te verdwijnen met progressieve modernisering, een notie die bewezen is onhoudbaar te zijn als een generale empirische propositie, wordt genealogisch herleid naar de religiekritiek van het verlichtingsdenken. Casanova’s analyse bevestigt dat de these van de differentiatie van de religieuze en de seculiere sferen nog steeds de verdedigbare kern is van de theorie van secularisering. Maar het houdt de gerelateerde propositie dat moderne differentiatie noodzakelijkerwijs gepaard gaat met een marginalisering en privatisering van religie, of dat publieke religies noodzakelijkerwijs de gedifferentieerde structuren van de moderniteit in gevaar brengen, als niet langer verdedigbaar.[3]

Casanova heeft een genuanceerd beeld. Hij is het wel degelijk eens met de vele kritieken die recentelijk opgeworpen zijn tegen de dominante theorieën van secularisering, maar hij onderschrijft niet de visie dat de secularisering in zijn geheel een mythe is. De kern van de seculariseringthese was de differentiatie en emancipatie van de publieke domeinen ten opzichte van religieuze instituties en normen en deze blijft valide. Maar de term ‘deprivatisering’ wil ook betekenis geven aan de opkomst van nieuwe historische ontwikkelingen, die, op zijn minst kwantitatief, wijzen op een ‘terugdraaing’ van wat seculiere trends leken te zijn. Religies wereldwijd betreden de publieke sfeer en de arena van politieke belangen, niet alleen om hun traditionele belangen en interesses te verdedigen, zoals voorheen, maar ook om te participeren in en een bijdrage te leveren aan de daadwerkelijke worsteling om de grenzen tussen de private en publieke sferen te definiëren en te stellen.

Casanova geeft aan dat we twee lessen kunnen leren van religie in de jaren tachtig: dat religie hier is om te blijven, daarmee implicerende dat er een einde is gekomen aan de door de verlichting gekoesterde droom van het einde van de religie ten behoeve van een universele rationaliteit. En dat het zeer waarschijnlijk is dat religies een blijvende en significante publieke rol zullen blijven spelen in de voortgaande constructie van de moderne wereld. Deze tweede les in het bijzonder dwingt ons om ons systematisch te herbezinnen op de relatie tussen religie en moderniteit en, nog belangrijker, de mogelijke rollen die religies zouden kunnen spelen in de publieke sferen van moderne samenlevingen.[4]

 
[1] Casanova, ‘Public religions and the modern world’

[2] Casanova, ‘Public religions and the modern world’

[3] Casanova, ‘Public religions and the modern world’

[4] Casanova, ‘Public religions in the modern world’