Nigeria is one of the most ethnically and culturally diverse African country with an estimated population of over 170 million consisting of more than 250 ethnic groups and 500 languages and split almost evenly between Muslims and Christians. There are many factors that usually lead to conflicts in Nigeria but Religion remains on top of the list.

Nigeria is not alien to violent and devastating conflict linked with Islamic fundamentalism; the most recent is the Boko-Haram violent crisis. Empirically, the main menace to national security in Nigeria since the transition from military to civil rule in 1999 has been Religious violent behavior, championed by some Islamic sects in the northern Nigeria – in particular  Borno, Kano and Bauchi States. These reasons for the Islamists in engaging in extreme violence include the opposition of Christians to sharia legal system 1999 and 2000, US invasion of Afghanistan in 2001, the publishing of cartoons on Prophet Mohammed in a Danish newspaper. It is worthy to note that before the transition from military to civilian in 1999, the country has been plague with conflicts that were orchestrated by Islamic fundamentalism. These include the Kano city riot 1982 &1991, nationwide crisis over Nigeria’s membership in the Organization of Islamic Country all in 1986, /Kaduna/Zaria/ Funtua religious riots 1987, Kaduna Polytechnic riot 1988, Bauchi/Katsina riots1991 just to mention a few. All this conflict and many others have led death of hundreds of thousands Nigerians with billions of dollars worth of properties loss.

The real issue is not North or South, Christians or Muslims, Ijaw or Fulani. In Nigeria we are naturally distinguished and united by differences and similarities, according to gender, age, language, culture, tribe, religion, geography, and even income level. Such diversity must be seen as positives that challenge our intellect and emotions as we learn to work and live together in peace and unity. I chose to define diversity based on my perceived idea of culture and not necessarily the traditional culture of the various ethnic nationalities in Nigeria. Diversity is the totality of positive socially transmitted behaviour, patterns, beliefs, institutions and other aspects of our humanity, which generates positive thoughts and actions for the benefit of the general good of our community.

In any diverse society such as Nigeria, it is essential to ensure harmonious interaction among people and groups with plural, varied and dynamic cultural identities. I think, accepting our humanity first and foremost should give policy expression to the reality of our diversity. Policies that are designed for the inclusion and participation of all citizens irrespective of differences can guarantee social cohesion. Such policies when well thought out can check the ill tactics of divide and rule often employed by politicians. In any democratic framework there must be strength in diversity; this is because our communal needs are conducive to cultural exchanges, which adds to the flourishing of creative capacities that should sustain national unity and progress.

However, in order to contribute my quota to the peaceful coexistence of my country using our diversity as the strength, I initiated two projects; the first one is tagged “Youths and Religion tolerance. The project aim is to achieve a peaceful society that is devoid of religion chauvinism because Nigeria is a secular state that allows freedom of religion practice. I achieved this by organizing series of meetings, conferences, publications and often encourage inter-religion visitation at worship place of different religion to worship together so as to establish trust and confidence. Sometimes share scare text from their holy books to understand what each religion preaches about peace. I activated networking relationship with religious leaders, government ministries, NGOs and faith based youth’s organizations..

The second project was tagged Crossing Borders. It is a concept about global citizenship, peace and tolerance to achieve development in the society, to be more aware about the rising issues in international and local development and taking tangible steps to change the world. To be able to understand that race, religion, culture, region, colour, language etc. should not be a barrier to individual freedom, security and development. The project aimed at orientating and enlightening the youths and the masses to understand that every life is important and they must think outside the box. To create awareness among the people that they are responsible to humanity preservation from extinction, make change and take the driven seat for global peace and development. I aimed at motivating people to always approach issues with closed eyes and an open mind because when approaching issues with open mind, the borders to human development will be destroyed and a new dawn will emerge.

Nevertheless, a major problem that relates commonly to the issue of diversity is the search for equity. There is a friction in balancing diversity and equity. Often conflict inevitably occurs. As has been the case since time immemorial, differences in ethnicity, culture, religion, gender, language or political affiliation have all been at the root of conflict. Any form of group identification, ethnic, religious, social and other forms of group identification can trigger violent conflicts especially when mobilized and manipulated to do so. Dialogue of any kind, intercultural, religious, political or social, is a prerequisite for, and a cornerstone of, our unity, peace and progress. We must continuously call for greater dialogue among people with a shared humanity and better understanding of other cultures, in other to ensure a more rapid integration of socioeconomic ties between communities. Dialogue will also help us to focus on who the enemy really is and what they are up to in making us forever poor and powerless.

Aderopo Egbeleke
Institute of Social Studies (ISS), The Hague, Netherlands
MA Development studies/ SJP major


Wat vinden jonge politici van democratie? Hoe hoort een democratische samenleving volgens hen eruit te zien? In het kader van de themamaand “democratie” hebben drie jonge politici die hebben deelgenomen aan de Future leaders bijeenkomst ieder een artikel geschreven over dit onderwerp. Hieronder het artikel van Manuel Buitenhuis.

Democratie is een ode aan gelijkwaardigheid. In Nederland heeft iedereen een stem, en wordt niet naar geloof of afkomst gekeken bij het bepalen van iemands invloed op het democratische systeem. Dat systeem past bij een land waarin iedereen graag zijn zegje doet over alles, of het nu het weer is, de nieuwste opstelling van Van Gaal of de laatste stand van zaken in Den Haag.

Het is mede dankzij die wil om onze stem te verheffen dat Nederland een levendig publiek debat kent. Binnen dat debat is de laatste jaren een trend zichtbaar die het bewijs is van de wisselwerking tussen democratische rechten en een maatschappelijke discussie. Een steeds grotere groep Nederlanders voelde zich niet serieus genomen door de politiek. Jarenlang is er met een bezwerend vingertje gewezen naar een groep mensen die volgens politici maar niet wilde inzien dat óók de nieuwste opgedwongen maatregel toch echt voor hun eigen bestwil was. Meningsverschillen werden in die gevallen weggezet als onwetendheid. Als we die onwetendheid lang genoeg negeren, gaat hij vanzelf wel weg. De echte onwetendheid bleek in Den Haag te zitten. In reactie op de opmars van Fortuyn, en later Verdonk en Wilders lijken steeds meer partijen te erkennen dat democratie niet alleen vóór mensen, maar ook vàn mensen is.

Het is natuurlijk niet zo dat het gevoel niet serieus genomen te worden daarmee in een keer weg is. Dat is iets waar tijd overheen gaat; maar politici kunnen wel helpen. Den Haag mag best wat minder bang zijn voor haar kiezers. Op voorstellen tot democratische vernieuwing en meer transparantie wordt al jaren halsstarrig gereageerd: dat is toch nergens voor nodig? Inspraak is welkom en de peilingen worden nauwlettend in de gaten gehouden. Maar de kiezer mag maar eens in de vier jaar doorslaggevend zijn. Een parlement dat haar kiezers niet vertrouwt met de mogelijkheid haar te corrigeren of om een burgemeester te kiezen, is bang voor de mensen die haar verkiezen. En wat erger is: het is een blijk van wantrouwen.

Een volwassen verhouding tussen democratische organen en haar kiezers veronderstelt vertrouwen. Dat vetrouwen gaat beide kanten op: kiezers vertrouwen erop dat politici doen waar ze voor gekozen zijn, en politici zouden meer dan nu moeten vertrouwen op de wens van de kiezer. Het politieke kompas van honderdvijftig Kamerleden hoeft immers niet altijd gelijk te lopen met dat van de maatschappij in zijn geheel. Het vereist lef om te erkennen dat je af en toe fout kan zitten; lef dat vooralsnog helaas ontbreekt bij de meeste politieke partijen. Dat is zonde, want het vergroten van de democratische rechten van Nederlanders zou een gezonde en frisse wind kunnen blazen door het Nederlandse publieke debat.

Manuel Buitenhuis is “secretaris pers” in het landelijk bestuur van de Jonge Democraten (Jonge D66’ers). Hij studeert geschiedenis en filosofie van de wetenschap aan de Universiteit Utrecht.

Zie verder de volgende link voor het verslag van de “Future leaders” bijeenkomst:

Wat vinden jonge politici van democratie? Hoe hoort een democratische samenleving volgens hen eruit te zien? In het kader van de themamaand “democratie” hebben drie jonge politici die hebben deelgenomen aan de Future leaders bijeenkomst ieder een artikel geschreven over dit onderwerp. Hieronder het artikel van Jojanneke Vanderveen.

Als student politieke filosofie heb ik me de afgelopen tijd dagelijks beziggehouden met de vraag: wat is de rechtvaardige staat? Het is een ingewikkelde vraag, waar allerlei antwoorden op bestaan die soms van visie verschillen, maar soms ook gewoon een ander doel hebben. Zo schetsen sommige theorieën een beeld van de ideale samenleving, een soort utopie, terwijl andere filosofen meer bezig zijn met de vraag wat je praktisch gezien zou moeten doen om een ideale wereld dichterbij te brengen.

Deze column heeft meer betrekking op dat laatste project. Ik wil me nu vooral buigen over de vraag hoe het individuele recht om je eigen levenspad te kiezen, zich verhoudt tot de democratie. Wanneer wordt dit recht geschonden en wat betekent een schending van dat recht voor het functioneren van de democratie?

Eén opmerking uit de Future leaders-bijeenkomst is mij met name bijgebleven. Toen ik mij uitsprak voor onderwijs dat het kritisch denkvermogen stimuleert, reageerde iemand met: “ja, maar daar zal niet iedereen voor zijn. Wat als mensen dan van hun geloof vallen?” Ik schrok toen een beetje. Ik had er nog niet over nagedacht dat je dat als risico kon zien, en het leek me ook onwenselijk; als (sommige) mensen alleen bij hun geloof blijven als ze niet worden aangemoedigd er kritisch op te reflecteren, is het dan wel zo’n stabiele overtuiging?

Bovendien – en dan komen we bij de rechten van het individu – heeft een collectief, of dat collectief nou gebaseerd is op een religieuze overtuiging, een politieke overtuiging of bijvoorbeeld de geografische reden dat je allemaal in hetzelfde land woont, het recht individuen binnen boord te houden door te proberen hen zo min mogelijk te laten nadenken? Misschien wordt hun feitelijke keuzevrijheid niet beperkt, maar als mensen van kinds af aan niet wordt geleerd van die keuzevrijheid gebruik te maken, kunnen we dan wel zeggen dat ze echt in staat zijn om te kiezen?

Ik denk het niet. En op het moment dat we mensen dat niet leren, is ook de democratie in gevaar. Hoe minder kritisch de massa, hoe groter de kansen voor kwaadwillende, op macht beluste politici. De geschiedenis laat zien dat het vervolgens juist de kritische geesten zijn die het meest te vrezen hebben van deze machtswellustelingen.

Zo worden de rechten van het individu dus tweemaal bedreigd als kritisch nadenken geen prioriteit krijgt. Er wordt gecompromitteerd op de keuzevrijheid van hen die het niet leren. Hoe meer mensen het niet leren, hoe groter de kans dat zij  – die het kunnen – juist daarom onderdrukt worden. Ik wil de lans dus nog maar eens breken: als we het recht om je eigen levenspad te kiezen respecteren én als we werkelijk waarde hechten aan de democratie, laten we dan het kritisch denkvermogen uiterst serieus nemen. Misschien eens filosofie in het basisonderwijs introduceren?

Jojanneke Vanderveen is oud-voorzitter van DWARS (Groenlinkse jongeren) en studeert politieke filosofie.

Zie verder de volgende link voor het verslag van de “Future leaders” bijeenkomst:

Wat vinden jonge politici van democratie? Hoe hoort een democratische samenleving volgens hen eruit te zien? In het kader van de themamaand “democratie” hebben drie jonge politici die hebben deelgenomen aan de Future leaders bijeenkomst ieder een artikel geschreven over dit onderwerp. Hieronder het artikel van Jeroen Toet.

Volksheerschappij, oftewel democratie, is volgens de oude Griekse filosoof Plato één van de slechtste bestuursvormen. Ruim 400 jaar voor Christus was deze denker zijn tijd al ver vooruit door de mogelijke gevaren van deze bestuursvorm bloot te leggen. Volgens hem zou democratie namelijk leiden tot een samenleving waarin iedereen gaat voor eigen belang. Een massa-maatschappij waarin men pleit voor de bewaking van eigen belangen, weelde en overvloed.

In de Westerse wereld is democratie een paspoort geworden als persoonlijke identificatie. Democratie wordt hier heilig verklaard. De vraag is hoe die persoonlijke identificatie wordt geïnterpreteerd. Als je bijvoorbeeld de Kopenhagen-criteria bekijkt, waarin de Europese Unie toetredende landen als voorwaarden oplegt dat democratische waarden geaccepteerd moeten worden, lijkt het erop dat democratie als een waarde op zichzelf wordt gezien.

Maar democratie heeft op zichzelf geen inhoud. Democratie is een instrument, waar ik als liberaal wel een belangrijke kernwaarde aan kan hechten. Die kernwaarde zou moeten zijn dat democratie een garantiebewijs is voor de morele waarden die een samenleving met elkaar deelt. Democratie is dus enkel een bewakingsinstrument. Wie kan gelijkheid of zijn individuele vrijheid beschermen als iemand anders meer recht van spreken heeft? Via een democratie kunnen die morele waarden beschermd worden.

Wie de achtergrond van de Arabische Lente gaat betrekken in de discussie over democratie, kan zich afvragen of Plato het bij het juiste eind had. Gaat een democratie wel op in een samenleving zonder een trias politica? Gaat democratie wel op in een samenleving met een constitutie die geen morele waarden als vrijheid en gelijkheid beschermt. Want dan zou de uitkomst van die revoluties wel eens kunnen zijn dan democratie uitmondt in een systeem waar enkel de stem van de meerderheid geldt. Een meerderheid bestaande uit de helft plus één.

De vraag is dus of wij in het Westen nog wel fan zouden moeten zijn van democratie. Wordt het niet eens tijd voor een beetje meer Plato? Wordt het niet eens tijd dat de Westerse wereld afstapt van de illusie dat democratie een oplossing is voor landen waar minderheden onderdrukt worden, corruptie de overhand heeft en er sprake is van bestuurlijke chaos? In die situaties pleit ik liever voor het behoud, de ontwikkeling of introductie van morele standaarden.

Jeroen Toet studeert Bestuurskunde en is oud-voorzitter van JOVD (VVD jongeren) in Den Haag

Zie verder de volgende link voor het verslag van de “Future leaders” bijeenkomst:



En daar verscheen het weer op de agenda van het publieke debat: de vrouwenemancipatie. De reactie van Matthijs van Nieuwkerk in de aflevering van De Wereld Draait Door van 8 maart 2013 verwoordt mijn verbazing over deze alsmaar terugkerende discussie, als hij spontaan uitroept: ‘Ik was het bijna vergeten: de vrouwenemancipatie!’ En even later: ‘Ik heb het gevoel of ik word teruggeworpen in de tijd!’ Ja, waar gaat het debat over vrouwenemancipatie tegenwoordig eigenlijk nog over? Is die strijd niet al lang gestreden?

Vrouwenemancipatie in vogelvlucht
Jarenlang streden vrouwenbewegingen voor de democratisering van de Nederlandse samenleving, en gelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Zo werd er aan het einde van de 19e eeuw gestreden voor vrouwenkiesrecht tijdens de eerste feministische golf. Een tweede hoogtepunt beleefde het feminisme in de jaren ’60 en ’70 van de twintigste eeuw. Toen waren de seksuele bevrijding en economische zelfstandigheid van de vrouw belangrijke speerpunten. In de derde feministische golf strijden vanaf het midden van de jaren ’90 met name ex-moslima’s voor de vrijheid je te ontwikkelen zonder culturele of religieuze belemmeringen. De discussie die de afgelopen maanden wordt gevoerd, richt zich echter voornamelijk op gelijke beloning en de financiële onafhankelijkheid van de autochtone vrouw. Thema’s die vooral tijdens de tweede feministische golf belangrijke strijdpunten waren.

De huidige stand van zaken in cijfers
Worden we in het huidige debat rondom vrouwenemancipatie onnodig teruggeworpen in de tijd? Houden we ons bezig met een strijd die eigenlijk al lang uitgestreden is? Hoe staat het tegenwoordig in Nederland met de gelijke beloning en de economische onafhankelijkheid van de vrouw? Voor de beantwoording van deze vraag kunnen we allereerst naar de cijfers kijken. En deze cijfers liegen er niet om. Op 6 maart 2013 bericht het CBS dat vrouwelijke werknemers slechts 55 procent van het gemiddelde inkomen van mannelijke werknemers verdient. Dat is op het eerste gezicht even schrikken, maar wordt grotendeels verklaard doordat vrouwen vaak minder werken dan mannen. Echter, na correctie van arbeidsduur, maar ook van opleidingsniveau, beroepsniveau, werkervaring, bedrijfssector en het al dan niet hebben van een leidinggevende functie, blijft er bij voltijds werknemers nog een onverklaarbaar verschil over van 15 procentpunt, aldus het CBS.

Als we nog even verder in de cijfertjes duiken, weet het CBS ons te vertellen dat ruim 3 miljoen vrouwen tegenwoordig kiezen voor een baan in deeltijd. De belangrijkste reden voor deze keuze is de zorg voor het gezin of huishouden. Wanneer vrouwen kiezen voor een deeltijdbaan, lopen zij volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) een groter risico in armoede te vervallen. Want als vrouwen hierdoor economisch afhankelijk worden van hun partner en deze wegvalt, belanden zij in de bijstand. En gezien het aantal scheidingen – 1 op de 3 – is het risico dat deze vrouwen nemen niet gering.

Het huidige debat
Als we de cijfers mogen geloven is het in Nederland anno 2013 dus somber gesteld met zowel de gelijke beloning als de economische onafhankelijkheid van de vrouw. Is de strijd voor de democratisering van de samenleving en gelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen dan inderdaad nog lang niet uitgestreden? Over de stelling dat ongelijke beloning onrechtvaardig is, is  denk ik weinig discussie nodig. Dat mannen en vrouwen ongelijk beloond worden, is namelijk in strijd met artikel 1 in onze grondwet. Deze wet stelt dat:

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Het feit dat na aftrek van arbeidsduur, opleidingsniveau, werkervaring, etc. er een onverklaarbaar 15 procentpunt verschil blijft bestaan tussen de beloning van mannen ten opzichte van de vrouwen, is strijdig met artikel 1. Hoewel deze wet stelt dat discriminatie wegens geslacht niet is toegestaan, blijkt de praktijk hier niet volledig aan te voldoen.

Het is echter de economische onafhankelijkheid waar in de recente discussie vooral veel aandacht naar uit gaat. De argumenten die in dit debat de revue passeren, draaien om waarden als verantwoordelijkheid, keuzevrijheid en zelfstandigheid. Het ene kamp is bezorgd over de kwetsbare positie van de economisch onafhankelijke vrouw en betoogt dat zij er verstandig aan doet financieel zelfstandig te zijn omdat een echtscheiding – en daarmee het risico op een armoedeval – een reële optie is. Eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid hebben de verdedigers van dit standpunt hoog in het vaandel staan. Als je het voor jezelf maar goed geregeld hebt.

Vanuit het andere kamp klinkt een tegenovergesteld geluid. Daar wordt gewezen op de keuzevrijheid van de vrouw om het eigen leven vorm te geven. Als een hoogopgeleide vrouw liever een deeltijdbaan neemt zodat zij ook de zorg voor de kinderen en het huishouden op zich kan nemen, wie zijn anderen om daar iets van te zeggen? Juist deze verworven vrijheid is een verdienste van de emancipatiestrijd.

Dat de doelen waar de vrouwenbeweging tijdens de tweede feministische golf voor vocht anno 2013 niet volledig gerealiseerd blijken, moge duidelijk zijn. Wat mij betreft mag ongelijke beloning dan ook zeker op de agenda staan van de hedendaagse emancipatiestrijd. Want als mannen en vrouwen daadwerkelijk beschouwd zouden worden als ‘gelijke gevallen’ dan zouden zij ook een gelijke behandeling – dus beloning – krijgen. Hier valt dus nog zeker winst te behalen.

Dit is naar mijn mening anders als het gaat om de financiële onafhankelijkheid van de vrouw. Daar waar vrouwen hoogstwaarschijnlijk niet vrijwillig zullen kiezen voor het krijgen van een lager loon dan hun mannelijke collega’s krijgen, is het een stuk waarschijnlijker dat zij wel kiezen voor een deeltijdbaan en/of de zorg voor de kinderen en het huishouden – en de financiële gevolgen die een dergelijke keuze met zich meebrengt. Strijden voor de financiële onafhankelijkheid van de vrouw in deze tijd, zal in veel gevallen dus indruisen tegen de behoeften van diezelfde vrouw. Een beweging die de onderdrukte vrouw wil bevrijden door haar financieel onafhankelijk te maken, streeft zo haar doel voorbij door de vrouw bemoeizuchtig te verplichten tot iets wat zij niet wil. Maar hierin zien we ook meteen weer het positieve wat de vrouwenemancipatie de vrouw heeft gebracht, namelijk de vrijheid om het eigen leven vorm te geven. En het zou toch zonde zijn om een vrijheid waar hard voor gevochten is, te beperken om een ander vooropgestelde doelstelling af te kunnen vinken? Daar komt nog bij dat de reden om financiële onafhankelijkheid na te streven, wel een heel negatieve motivatie heeft. De vrouw zou deze onafhankelijkheid moeten nastreven onder het motto van: ‘je kunt alleen op jezelf vertrouwen’. Immers, zij moet altijd rekening houden met een mogelijke scheiding. Dit is wat mij betreft wel een erg pessimistische kijk op het huwelijk en zal het vertrouwen in de levenspartner zeker niet bevorderen. Bovendien is het ook een eenzijdige visie: hoewel een toereikend inkomen onontbeerlijk is voor een goedlopend gezin, is het zorg dragen voor het welzijn van het gezin ook van wezenlijk belang. De kostwinnende man mag na een scheiding dan wel financieel zelfstandig zijn, maar om minstens zo belangrijke punten het alleen ook niet kunnen redden.

Tot slot
De vraag uit de inleiding – gaat het debat over vrouwenemancipatie tegenwoordig eigenlijk nog wel ergens over? – zou ik met een ‘ja’ willen beantwoorden. Daar waar er sprake is van onrecht en ongelijke behandeling van de vrouw, is er zeker nog winst te behalen. Maar daar waar het enkel gaat om de verheerlijking van een feministisch ideaal, daar mogen feministen wat mij betreft de strijdbijl begraven.


Nynke van der Veldt