, , ,

Gülen en Mill over de vrijheid

De tweede bijeenkomst van de leesgroep ‘Een dialoog tussen beschavingen’ verdiept zich in de overeenkomsten tussen Fethullah Gülen en John Stuart Mill. Beide denkers hechten veel belang aan de vrijheid van geweten en meningsuiting. Tijdens deze bijeenkomst werden onder andere de grenzen van deze vrijheid verkend.

Utilitarisme
Gespreksleider Gerrit Steunebrink legt uit dat het utilitarisme van Mill de morele waarde van een handeling afmeet aan de hoeveelheid geluk en plezier die de handeling oplevert. In tegenstelling tot wat de critici van Mill stellen, zijn die pleziertjes voor hem niet slechts laag-bij-de-gronds, maar kunnen deze ook bestaan uit zogenaamde hogere vormen van plezier als kunst, literatuur, of wetenschap. Hierdoor ontstaat een probleem, want er wordt dan eigenlijk gezegd dat niet plezier, maar hoge of lage dingen, nobele of minder nobele dingen, het uiteindelijke criterium voor ethiek zijn. Mill zegt dat de mens geleerd zou moeten worden dat je van de hogere doelstellingen gelukkiger wordt. Dit is volgens Steunebrink geen utilitarisme meer, maar ligt wel dichtbij opvoeder Gülen, die het met Mill eens is dat vrijheid essentieel is voor de ontwikkeling van de hoogste menselijke vermogens.

Vrijheid
Steunebrink vertelt verder dat Mill  in On liberty stelt dat de mens vrij is zolang hij een ander geen schade berokkent. Alleen wanneer het individu met zijn of haar handelingen schade berokkent aan anderen, mag de staat ingrijpen. Verder zegt Mill dat democratie niet automatisch de afwezigheid van dictatuur – en dus vrijheid – betekent. De mens denkt namelijk helemaal niet zo zelfstandig en is onderworpen aan de subtiele macht van de meerderheid, de gewoonte, bestaande cultuur of religie. Dit bederft de creativiteit in een samenleving en daarom moet de mens worden geleerd om zelfstandig te kunnen denken. Onbeperkte meningsvrijheid is dan een voorwaarde. Opnieuw is dit een raakpunt met de opvoeder Gülen, die de eigenschap om vrij te denken als essentieel beschouwd, mits de ander geen schade wordt aangedaan. Anders dan Mill, voegt Gülen hier nog een tweede voorwaarde aan toe: de mens is vrij mits zij zich geheel aan de waarheid toewijdt.

Grenzen van vrije meningsuiting
Vervolgens gaat de groep in discussie over verschillende vragen die er bij de deelnemers zijn gerezen. De eerste vraag gaat over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Voormalig docente en huidig studente religiewetenschappen Marie-José van Voorst vraagt zich af of Mill met de uitspraak dat hij vrijheid van gedachte en discussie volledig ondersteunt, bedoelt dat je onbeperkt alles mag zeggen en schrijven. Rebecca Dornbusch, studente Islam en Arabisch en Wijsbegeerte, zet zich af tegen de uitspraak van auteur Jill Carroll dat niemand gekwetst kan worden door meningen in taal uit te drukken. Als voorbeeld geeft Dornbusch de reacties op de films Fitna en Submission, waaruit blijkt dat mensen zich wel degelijk gekwetst voelden. Psycholoog en projectmanager Ahmet Kaya vult dit aan met recente uitspraken van Geert Wilders dat de islam de grootste ziekte van de afgelopen eeuw zou zijn. Maartje Langeslag, sociaal wetenschapper werkzaam bij een antidiscriminatiebureau, denkt niet dat Carroll bedoelt dat meningen een ander niet kunnen kwetsen, maar dat de staat beperkt is in het uitoefenen van macht over het individu.

De deelnemers zijn het erover eens dat bijvoorbeeld politici en onderwijzers zich bewust moeten zijn van hun publieke functie als volksvertegenwoordiger en voorbeeld en daarom moeten oppassen met uitlatingen die als kwetsend kunnen worden ervaren. Volgens Wijsbegeerte studente Seline Palm leek Rita Verdonk vrijheid van meningsuiting te verwarren met haar toenmalige verantwoordelijkheden als politicus.

Nobele versus dierlijke genoegens
Na ook nog gesproken te hebben over onder meer het terecht en onterecht ingrijpen van staten bij onwelgevallige uitspraken, de houding van het christendom en de islam ten opzichte van elkaar en andere religies, de zeer ruime definitie van humanisme die Carroll hanteert, en de vergelijkbaarheid van Mill met Gülen, wordt de vraag behandeld van Eva Grosfeld, studente Humanistiek, over het waarom van het onderscheid tussen een hogere en een lagere manier van leven dat Gülen maakt. Het een kan volgens haar immers niet zonder het andere bestaan. Pas als aan de eerste levensbehoeftes is voldaan, is er ruimte voor het vervullen van de meer nobele genoegens. Volgens Alma Feddema, studente humanistiek en educatie, gaat het om maat houden. Het bevredigen van dierlijke behoeftes moet afgewisseld worden met het streven naar intellectuele bevrediging. Zij noemt het voorbeeld van leerlingen die steeds maar weer spelletjes willen spelen op hun tablet en daarin geen maat weten te houden.

Deze afsluitende opmerking vormt een soepel bruggetje naar de volgende bijeenkomst wanneer het Platoonse ideaal van de opvoeding aan de orde zal komen.

Bettina J. Mulder

22 april 2013